Nederlands

Deutsch

Kalender - Kalender

Weken

Wochen

Maandag

Montag

Dinsdag

Dienstag

Woensdag

Mittwoch

Donderdag

Donnerstag

Vrijdag

Freitag

Zaterdag

Samstag

Zondag

Sonntag

Maanden

Monate

Januari

Januar

Februari

Februar

Maart

März

April

April

Mei

Mai

Juni

Juni

Juli

Juli

Augustus

August

September

September

Oktober

Oktober

November

November

December

December

Seizoenen

Jahreszeiten

Lente

Frühling

Zomer

Sommer

Herfst

Herbst

Winter

Winter

Tijd

Zeit

maand geleden

Monate her

eergisteren

vorgestern

gisteren

gester

vandaag

heute

morgen

morgen

overmorgen

übermorgen

vorige week

letzte Woche

dit weekend

diese Woche

volgende week

nächste Woche

na de vakantie

nach den Feiertagen

  1. Weken

    Wochen

  2. Hoeveel weken heeft een jaar ?

    Wie viele Wochen hat ein Jahr?

  3. Er zijn 52 weken in een jaar.

    Ein Jahr hat 52 Wochen.

  4. Maanden

    Monate

  5. In welke maand wordt onafhankelijkheidsdag gevierd ?

    In welchem Monat wird der Unabhängigkeitstag gefeiert?

  6. Onafhankelijkheidsdag wordt gevierd in december.

    Im Dezember wird der Unabhängigkeitstag gefeiert.

  7. Seizoenen

    Jahreszeiten

  8. Welk seizoen vind je het mooist?

    Welche Jahreszeit bevorzugst du am meisten?

  9. Ik hou van de lente maar ook van de zomer.

    Ich mag den Frühling, aber auch den Sommer.

  10. Tijd

    Zeit

  11. Ben je dit jaar op vakantie geweest?

    Warst du dieses Jahr im Urlaub?

  12. Ja, we waren in Spanje in de laatste week van juli.

    Ja, wir waren in der letzten Juliwoche in Spanien.


Advertentie